Bon courage!

auteur: Han Kuijeraar
publicatiedatum: 08-03-2010
Normandië Manche huis opknappen kopen

Na het ondertekenen van het koopcontract drukte de notaris mij ferm de hand en zei: “Bon courage!” En hij keek er ook wat meewarig bij. Wat zal hij bedoelen?

Maar die gedachte werd direct verdrongen door gejubel en het besef: ik ben de trotse eigenaar van een echt Frans huis in Normandië! En wat voor één? Een tien meter lang huis met muren van bergstenen, zeg maar, van ruim een halve meter dik, met daken van leistenen en met een grotendeels lemen schuur er aan vast, waarin een ciderfabriekje had gezeten. Er stond nog een pressoir in, een grote ronde stenen geul waarin appels werden gestort, waarna een paard als in een tredmolen een breed wiel in de geul rondtrok, waarmee het sap uit de appels werd geperst. Een historisch monument.

Dat huis stond op ruim 1700 vierkante meter grond, voornamelijk grasland op klei, waar koeien hadden gegraasd. Probeer dat in Nederland eens te kopen!

Goed, het was een goedkoop huis, van enkele tienduizenden euro`s. In de daken zaten metersgrote gaten waar de vogels en vleermuizen bij zonsondergang vrolijk in en uit fladderden. Hier en daar bolden de stenen muren, er zaten grote scheuren in, maar die kon je met stenen en cement opvullen en dichtsmeren.

De vloeren bestonden uit grond, klei, zeg maar blubber, want het regende binnen net zo hard als buiten. De ramen en deuren waren slechts gaten. Verdiepingsvloeren waren vergaan of verrot. Het was feitelijk vrijwel een ruïne, maar ja, met moed, beleid en trouw zou het toch wel op te knappen zijn? Dit huis zou er over duizend jaar nog wel staan.

Mijn huis in Normandië.Bon courage”, zei ook de buurman, nadat we hadden kennisgemaakt. Hij was metselaar in loondienst, wilde voor zichzelf beginnen, had naar mijn pasverworven bezit gekeken om er zijn bedrijf in te vestigen, maar had het niet gekocht. Waarom eigenlijk niet?

Ik ben met mijn zoons aan het werk gegaan, schoonmaken, de rotzooi eruit slopen, zoals de grote stenen schouw die op instorten stond; het hele rookkanaal was vergaan en verkoold. Er was kennelijk brand geweest, te zien ook aan de zwartgeblakerde doorgezakte en vaak gebroken balken.

Slopen, slopen en slopen.

Daarna moest allereerst het dak worden gerepareerd, dat wil zeggen over twintig meter lengte feitelijk worden vervangen. Weer slopen, dus rotte balken voorzover nog aanwezig vervangen door verticaal te plaatsen nieuwe balkjes van 5 bij 7 (chevrons) en daar weer horizontaal panlatten (liteaux) van 2 bij 3 op. Een heel nieuw dak timmeren, daar komt het op neer. En daar weer op haken (crochets) die de leistenen vasthouden.

Een langdurig, tijdrovend, gevaarlijk zo op drie hoog (elke misstap zou fataal kunnen zijn) en onmogelijk werk voor een onervaren amateur. En dat midden in het herfstige regenseizoen in het zeeklimaat van Normandië. Maar in december lagen de laatste leistenen er op en was het dak min of meer dicht, al moest hier en daar nog wel wat aan de afwerking gebeuren. Voor een paar duizend euro`s aan materiaal en leistenen. Maar wel ruim € 20.000 uitgespaard, blijkens een offerte van een dakspecialist.

Geraas

Het volgende voorjaar 2005, Koninginnedag in Nederland, bloedheet, sta ik, slechts gekleed in korte broek, te rommelen in de geïmproviseerde keuken - de ongelijke vloer van klei en steentjes, dekzeil erop, een plank op schragen met daarop gasstel met butagas, potjes en pannetjes. Vier uur `s middags, ik hoor achter mij een geluid, als van een diepe aanhoudende zucht, ik draai mij om, zie boven bij de nok (verdiepingen bestonden niet meer) een grote steen vallen. De zucht wordt geraas, gedonder, ik ren in een reflex naar buiten, handig dat er geen deur in de deuropening zit. Zo`n tien meter van het huis draai ik mij trillend, rillend en bevend om in de bloedhitte en ik zie in de deuropening niets anders dan mist, stofwolken.

Een grote stapel stenen. De ingestorte binnenmuur.Als het geraas en gerommel is gestaakt, moet ik nog zeker een kwartier wachten voor de stofwolken zijn neergedaald en ik op adem en enigszins bij mijn positieven ben gekomen. Nieuwsgierig en voorzichtig loop ik naar de deur, ook in de verwachting dat het halve huis, inclusief het dak is ingestort. Binnen blijkt de dikke granietstenen binnenmuur voor tweederde van de nok tot de grond verdwenen. Bergen stenen op de grond, op mijn bed, met koffer met kleren, met portemonnee, telefoon, met fototoestel, met alles. Maar het dak staat er nog fier op, zelfs met grote Normandische schoorsteen, al staat die gevaarlijk te wankelen.

Maar ik heb niets meer dan een korte broek, geen geld, geen mogelijkheid iemand te bellen, sleutels van de auto onder het puin. Buurman elders aan werk en verder ken ik niemand – dan voel je je behoorlijk alleen, eenzaam en verlaten.

Heel voorzichtig, steeds schuin omhoog kijkend naar het nog overeind gebleven stuk van de muur, heb ik de stenen van het bed gehaald, en na vele uren de koffer met kleren, de autosleutels en mijn portemonnee gevonden; het mobieltjes was verpletterd en een jaar later kwam het fototoestel volledig ongeschonden tevoorschijn. Het had ónder het stalen frame van het bed gelegen.

Dan ga je je wel afvragen of je de puinzooi maar niet beter zo snel mogelijk weer kan verkopen (is het nog wat waard nu?). Maar dat heb ik niet gedaan. De metselende buurman heeft zwart met een kraan de gammelige schoorsteen van het dak gehaald, hij heeft een geheel nieuwe dragende tussenmuur van gasbetonstenen neergezet, de bollende voorgevel vervangen door gasbeton van binnen en mooie bergstenen van buiten, twee vloeren van beton gestort, alsmede twee verdiepingsvloeren van beton.

De voorgevel in opbouw, na regen komt ooit weer de zon.Die gevallen binnenmuur heeft wel de stoot gegeven tot een snelle constructief sterke renovatie van het huis, al kost het natuurlijk wel wat. Mijn buurman heeft er zelf een geheel nieuw huis met grote schuur van kunnen bouwen.

De les van dit alles is, voor wie heel goedkoop een oud huis koopt zijn er altijd tegenvallers, al was mijn gevallen muur wel erg extreem. En ik wist het van tevoren: ruim dertig jaar geleden liep ik bij prachtig droog weer tegen een oud huis in de Ardèche op, met een nieuw gelegd pannendak. Maar bij regen bleek het een vergiet. Overal, letterlijk in alle kamers kon je onder de douche staan. Deskundige erbij gehaald, een krombenige tanige oude metselaar. Hij liep over het dak, menige pan zei krak, schudde zijn hoofd en mompelde verbaasd "tjonge tjonge, tja ja", vrij vertaald. Bleek dat de vorige eigenaar de dakpannen niet versprongen, dakpansgewijs, maar recht onder elkaar had gelegd. Nou ja, goed leggen en het probleem is over. “Nee,” zei de metselaar, “il manque de peinte”, het ontbreekt aan schuinheid (daarom kun je op Ardèche-daken heel goed lopen), bij regen en bepaalde winden en bij sneeuw zal het dak altijd lekken. Daar heb ik met vrienden en buren met gouden handen eerst golfplaten en daarop weer ronde dakpannen gelegd. En dat ligt er tot ieders voldoening nu ruim veertig jaar.

Ja, er is bon courage, veel moed, voor nodig om een oud Frans huis op te knappen. En geld en veel geduld. Doucement, zeggen de Fransen. Petit à petit, beetje bij beetje tegelijk. Maar als het huis steeds solider en beter bewoonbaar wordt, als het dak waterdicht is, als er weer een kamer bewoonbaar is gemaakt, de geplante druivenranken vrucht dragen en de tuin ietsje begint voor te stellen, en als om vier uur `s middags de rosé roept, of een koel glas bier wordt ingeschonken – ja dan krijg je toch het gevoel dat de grote inspanningen niet voor niets zijn geweest; dat iets opbouwen, iets mooi maken, bijna vergane glorie weer tot leven wekken, onnoemelijk veel voldoening geeft.

Ik zal er de komende tijd wat meer over vertellen.

Meer Han Kuijeraar:

Zoek een woning in Frankrijk